
Vrijheid verbindt: ‘Helemaal niks, ik had voor geen stuiver angst’
24 april 2025 om 15:43 MensenNIJKERK Het project ‘Vrijheid Verbindt’ richt zich op het vastleggen van de verhalen van inwoners van de gemeente Nijkerk die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt en veteranen uit Nijkerk, Nijkerkerveen en Hoevelaken. We delen deze verhalen met een breed publiek. ‘Vrijheid verbindt’ is een initiatief van de Stad Nijkerk, de Bibliotheken in de gemeente Nijkerk, Oranjevereniging Nijkerkerveen en Historisch Hoeflake en documentairemaker Olaf Koelewijn, die van zes van deze portretten een documentaire maakt. Dit project kwam tot stand dankzij een subsidie van de gemeente Nijkerk.
De 89-jarige Jan van Haren uit Nijkerk zag als kind met lede ogen aan hoe zijn moeder de chocoladereep die hij had gekregen van een Duitse soldaat in de potkachel smeet. Daarna zorgde hij ervoor dat hij gekregen lekkernijen buitenshuis opat. Net als Gerrit Slijkerman uit Hoevelaken beleefde Van Haren vrijwel zorgeloze oorlogsjaren.
Door Job van der Mark
In 1959 verhuisde Jan van Haren voor werk naar Nijkerk en sindsdien is hij niet meer weggegaan. De oorlog beleefde hij als kind: slechts vier jaar oud was hij toen de Duitse oorlogsmachine Nederland binnenviel. Met zijn ouders, broer en twee zussen woonde hij in Nijmegen in de jaren 1940-1945, direct naast het Goffertpark. ,,Mijn allereerste oorlogsherinnering speelt zich af in onze achtertuin. Daar werd een schuilkelder gegraven. Gewoon een heel diep gat graven, golfplaten eroverheen en daar weer grond overheen storten. Ik weet nog dat het er heel krap was: zelfs ik kon er niet staan. Tijdens de oorlog hebben we als gezin een aantal keer in die schuilkelder moeten bivakkeren.”
Kogels over het dak
Van Haren heeft het regelmatig van dichtbij meegemaakt hoe, zeker tegen het einde van de oorlog, geallieerde vliegtuigen over zijn huis scheerden om aanvallen uit te voeren op Duits luchtafweergeschut dat in het Goffertpark stond opgesteld. ,,Nijmegen ligt natuurlijk dicht bij de Duitse grens, op de vliegroute van bommenwerpers die vanuit Engeland naar Duitse doelen vlogen. De Spitfires kwamen laag aanvliegen boven onze woonwijk en openden het vuur achter ons huis. De kogels zag ik inslaan op de grasvelden van Hertenkamp. Dat is het deel van het Goffertpark dat direct aansloot op onze achtertuin.”
Nog een herinnering die is gebrand in het geheugen van Van Haren: dat Duitse soldaten herten doodschoten die in het Hertenpark vrij rondliepen. ,,Dat deden ze om ze op te eten. Ik zie het nog voor me: hoe die soldaten hun geweren aanlegden tussen het gaashekwerk, de harde knal, de laatste stuiptrekkingen van dat dier… Vaak sprongen ze nog een laatste keer op.”
De aanwezigheid van Duitse soldaten in zijn leefomgeving werd al snel normaal voor de jonge Van Haren. Dat is ook niet zo gek, want zijn basisschool destijds werd door de bezetter omgevormd tot kazerne. Die school lag op loopafstand van zijn huis. ,,We gingen in die tijd naar school in het kantoor van een aannemer. Ook vlakbij mijn huis trouwens. Duitse soldaten kwam ik vrijwel dagelijks tegen. Wat ik van ze vond? Ik vond het interessante gasten. Ze marcheerden heel gedisciplineerd, zongen daarbij mooie liederen. Dat vond ik indrukwekkend. En ze waren vrijwel altijd vriendelijk voor me. Ik kwam er vrij snel achter dat mijn ouders er anders over dachten. Op een dag kreeg ik van een Duitse soldaat een mooie chocoladereep. In tijden van schaarste, is dat natuurlijk heel bijzonder. Trots liep ik ermee naar huis om aan mijn ouders te laten zien. Toen mijn moeder mijn verhaal aanhoorde, pakte ze de reep uit mijn handen en gooide die zo achter de klep in de potkachel. Daarna heb ik wel vaker lekkernijen van Duitse soldaten gekregen. Ik kan je verzekeren dat ik die niet meer aan mijn moeder heb laten zien.”
Saamhorigheid
Zo kreeg Jan van Haren al snel door dat zijn ouders fel gekant waren tegen de bezetters. Een andere herinnering uit de oorlogsjaren maakt dat ook duidelijk. ,,Achter in onze tuin stond een schuurtje. Daarin, op de bovenste plank, hadden mijn ouders een radio verstopt. Daar luisterden ze naar Radio Oranje, de uitzending van de Nederlandse regering in ballingschap. Ik luisterde een keer mee en ik kan me nog heel precies een codezin herinneren die werd uitgesproken. ‘Giet wat olie op het water, dan zal het beter gaan’. Gek hè, dat ik die zo precies kan herinneren. Ik weet nog heel goed dat ik dat als kind zo’n rare zin vond. Ik weet ook nog met wie ik die uitzending beluisterde: mijn vader, een oom en een buurman.”
In veel herinneringen uit de oorlogsjaren van Van Haren spelen niet alleen familieleden een rol, maar ook mensen uit de directe omgeving. Vooral buren waren sociaal gezien belangrijk in die jaren. ,,De saamhorigheid was groot. Voor mijn gevoel leefde ik niet alleen met mijn ouders, broer en zussen, maar ook met de mensen uit de buurt. De bevrijding bijvoorbeeld vierden we met de buurt. Dat was vanzelfsprekend. Tussen ons blok met 2-onder-1-kapwoning en het naastgelegen blok werd een zeil gespannen. Daaronder was het groot feest. De volwassen dronken alcohol. Hoe ze daaraan kwam; ik zou het echt niet weten. Ik kreeg limonade. Dat was wat! Mijn vader slachtte de geit van een buurman iets verderop, slechts met enkel een mes. Het moment dat ik de bevrijders voor het eerst zag, zal ik ook nooit vergeten.”
Sluipschutters
De bevrijding van Nijmegen vond plaats tussen 17 en 20 september 1944. Een dezer dagen stond de jonge Jan van Haren voor zijn ouderlijk huis en zag de eerste Amerikaanse soldaten door zijn straat lopen. ,,Zij waren anders dan de Duitse soldaten. Dat zag ik direct. Ze droegen bruine laarzen, met vermoedelijk zachtere zolen, want ze maakten helemaal geen geluid als ze liepen. Bij de Duitsers was dat anders. De Amerikanen liepen sowieso anders. In groepjes, door elkaar heen, minder strak en gedisciplineerd als de Duitsers. Toen ik daar buiten stond, werden er schoten gelost door Duitse sluipschutters die posities hadden ingenomen in de schoenenfabriek aan de Muntweg. Die Amerikanen gelijk plat op de grond. Dat zag ik allemaal als kind, gek eigenlijk. Niemand werd geraakt, maar een kogel sloeg in in het pleister van onze woning. Het kogelgat zit er misschien nu nog.”
Niet alleen het straatbeeld van Nijmegen veranderde door de aanwezigheid van andere buitenlandse militaire eenheden, ook de sfeer werd anders. Al merkt Van Haren als jongen van negen jaar oud niet eens zoveel verschil tussen Amerikaanse en Duitse soldaten. ,,De Amerikanen waren wat losser en jovialer. Maar in principe naar mij toe net zo vriendelijk als de Duitsers. Mijn vader maakte kleine klompjes van houten bezemstelen. Op de ene schreef hij ‘Souvenir’, op de andere ‘Holland’. Die soldaten waren daar dol op. Ik moest ze van mijn vader ruilen tegen blikvoer of tabak.”
Jan van Haren is duidelijk over zijn vroege jeugd in de oorlogsjaren: hij heeft niet geleden. Zelfs angstige momenten kan hij zich niet herinneren. ,,Als ik heel eerlijk ben: helemaal niks, ik had voor geen stuiver angst. Maar ik was een kind, hè… Ik kan me niet herinneren dat ik het op wat voor manier zwaar had. Wat hielp was dat mijn vader met enige regelmaat naar zijn ouders ging die op een boerderij woonden, enkele kilometers buiten Nijmegen. Dan nam hij altijd wat extra eten mee. Dat smaakte een stuk beter dan het brood dat van erwtenmeel werd gemaakt. Dat was écht niet lekker.”
Van Haren valt voor het eerst tijdens het gesprek even stil. Zijn gedachten gaan terug naar het bombardement dat geallieerden uitvoeren op 22 februari 1944, op het centrum van Nijmegen. Later is deze luchtaanval ook wel bekend komen te staan als ‘vergisbombardement’. ,,Ik was op weg naar school. Ik keek om en zag de bommen vallen uit de vliegtuigen. Ik weet niet meer of ik daarna ben doorgelopen of ben teruggekeerd naar huis. Een voormalige buurvrouw die met haar man en kind naar het centrum waren verhuisd, kwam daarbij om. Leuke meid was dat. Dat was heftig. Dat maakte indruk. Ook op mij, toen al…”
Zes weken lang verschijnt in de Stad Nijkerk een artikel dat telkens iemand portretteert die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt en een interview met een veteraan die in dienst van Defensie in een recent conflict heeft gediend.




















