
Het verhaal achter Nijkerkse gebouwen
31 oktober 2025 om 14:09 HistorieNIJKERK Edith de Jong, conservator van Museum Nijkerk: ,,Nijkerkers kennen deze gebouwen, maar gaandeweg ontdekken ze in onze expositie dat er meer verhalen schuilgaan achter de panden. Door deze expositie wordt er geschiedenis toegevoegd aan de huidige, bekende geschiedenis die vooral gevormd is vanuit het ‘witte’ perspectief.”
Economisch historicus Ronald de Bie deed onderzoek naar de achtergrond van de gebouwen. Er waren Nijkerkers die veel geld verdienden met de exploitatie van suiker- en koffieplantages in Suriname. Het geld dat verdiend werd met plantageproducten werden voor een deel in de Nijkerkse samenleving gestopt, in goede doelen. Een aantal van deze Nijkerkse families waren actief in de slavenhandel. De familie Van Weede-van Hangest d’Yvoy woonde op landgoed Salentein. Asueer Jacob Schimmelpenninck van der Oije woonde in de burgemeesterswoning aan de Holkerstaat 35-37. Margaretha Schimmelpenninck van der Oije-van Lijnden woonde in Huis Hoevelaken. Helena van der Burch van Spieringshoek woonde in Huize de Brink in Nijkerk. In de expositie zijn de namen van de slaven te zien en is in kaart gebracht waar de plantages, inheemse dorpen. Jodensavanne en ‘weglopersdorpen’ van ontsnapte slaafgemaakten (marrons) lagen.
(De tekst gaat verder onder de foto)
![]()
De burgemeesterswoning - Gerrit van de Veen/OpticaFoto
Asueer Jacob was baron Schimmelpenninck van der Oije. Van 1866 tot 1874 was hij burgemeester van Nijkerk. Na zijn tijd als burgemeester besloot hij de emigreren naar Suriname, samen met zijn vrouw Cornelia Alter. Hij kreeg hier een relatie met de Afro-Surinaamse Francina Neef. Haar (voor) ouders leefden in slavernij. Het eerste gezin vertrok weer naar Nederland en samen met de 16-jarige Francina kreeg de 45-jarige Asueer een tweede gezin in Suriname. Op plantage Leonsberg liet hij arbeiders werken en geen slaafgemaakten. Margaretha, barones Schimmelpenninck van der Oije-Van Lijnden was de moeder van Asueer Jacob. Zij had flink geïnvesteerd in de plantage op Leonsberg.
![]()
Cornelia Maria barones van Hangest d’Yvoy, naar een foto van L. Kauffmann. - Collectie Stichting Oud Nijkerk/Gerrit van de Veen
Een dubieuzere rol hadden jonkvrouw Helena Diderica van der Burch van Spieringshoek, die de ‘milddadige freule’ werd genoemd en Cornelia Maria Hangest barones d’Yvoy die de bijnaam ‘de welddadige freule’ kreeg. Helena had veel familieleden die betrokken waren bij plantages en de handel in Oost-Indië. Ze gaf veel geld voor de bouw van de Christelijke school in Nijkerkerveen. Maar op de plantages werkten slaafgemaakten. De zussen Anna Magdalena van Hangest barones d’Yvoy en Cornelia Maria Hangest barones d’Yvoy namen na haar dood de financiële zorg voor de school over. Zij hadden van hun moeder honderden tot slaafgemaakten geërfd.
(De tekst gaat verder onder de foto)
![]()
De familie Van Weede-van Hangest d’Yvoy woonde op landgoed Salentein - Gerrit van de Veen/OpticaFoto
![]()
Het kerkje in Driedorp. - Gerrit van de Veen/OpticaFoto
Toen ze vernamen dat er een financiële compensatie zou komen voor slavenhouders besloten ze in 1851 een aantal extra plantages te kopen. Ze bezaten uiteindelijk de plantages Johan en Margaretha, Koqswoud, Dageraad en Dankbaarheid, Sinabo, Gelré en Maasstroom. In 1863 kregen de zussen van de Nederlandse overheid een bedrag van 300 gulden per slaafgemaakte. Hierdoor zijn ze op de negende plek beland van de top tien van de grootste in Nederland gevestigde individuele slaveneigenaren. Ook al besteedde Cornelia als ‘weldadige freule’ de opbrengsten aan verschillende lokale goede doelen, haar vrijgevigheid had een schaduwzijde. Slaafgemaakten moesten immers onder mensonterende omstandigheden werken. In de expositie is veel meer informatie te vinden over de freules, maar er is ook aandacht voor de wrede directeur Pousset. Onder zijn leiding leden de slaafgemaakten honger, ze werden mishandeld en stierven. In de expositie kunnen bezoekers erachter komen hoe het afliep met deze wrede directeur.
(De tekst gaat verder onder de foto)
![]()
Huize de Brink - Gerrit van de Veen/OpticaFoto
Mensen in slavernij hadden alleen voornamen. Die namen bepaalden ze niet zelf, maar werden gegeven door slavenhouders. Meestal kregen deze mensen Europese namen, maar slavenhouders gaven soms ook spottende namen (zoals Suiker, Monkie of Chagrijn), Bijbelse namen (Adam, Maria, Lot) of namen uit de Klassieke oudheid (Caesar, Cicero, Venus, Cleopatra). Hun Afrikaanse namen gingen hierdoor verloren. Het is hierdoor voor nazaten heel moeilijk om hun voorouders te traceren. Toen de slavernij in Suriname in 1863 werd afgeschaft, kregen de vrijgemaakten een achternaam opgelegd door de overheid. Ook die kozen ze niet zelf: ambtenaren en slavenhouders bepaalden welke achternaam de vrijgemaakten kregen.
De expositie is vanaf morgen te zien in het museum aan de Venestraat 16. Kijk voor openingstijden op museumnijkerk.nl.
In de nieuwe expositie ‘Nijkerk Suriname: mijn geschiedenis, jouw geschiedenis’ zijn de onderzoeksresultaten te zien naar de koloniale sporen van gebouwen in Nijkerk.
![]()
Huize Hoevelaken - Gerrit van de Veen/OpticaFoto





















