De kapstok van het boek draait om oud-agent Wouter van de Kleut, die werd geboren in Zwartebroek en later verhuisde naar Putten, waar hij te maken kreeg met NSB-burgemeester Frits Klinkenberg. Deze burgemeester had maar één doel; jagen op onderduikers, verzetsmensen en joden. De lokale agenten die gekozen hadden om in functie te blijven, moesten hem soms bij een arrestatie vergezellen.