Naast dat Nijkerk in de zeventiende eeuw een bloeiende tabakshandel had, is de stad ook bekend geworden dankzij enkele kolonisten die ze voortbracht. Arendt Hendrikszoon van Curler was één van hen. Hij werd geboren in boerderij Corlaer aan de Eindthovenhof.  

Tussen juni en september 1657 werden er ongeveer 40.000 bevervellen en andere dierenvellen verscheept vanaf Beverwijck, een Nederlandse kolonie in Nieuw-Nederland, een gebied in wat nu Noord-Amerika is. De handel in bont was groot en lucratief voor de West-Indische Compagnie. De Nederlandse diamanthandelaar Kiliaen van Rensselaer werd in 1621 hoofdparticipant en bewindhebber van de Kamer van Amsterdam, waardoor hij ook bewindhebber over de West-Indische Compagnie werd. De Van Rensselaerswijck bestreek een enorm gebied in Nieuw-Nederland. Van Albany en Rensselaer in de staat New York tot onderdelen van Columbia en Greene. 

ACHTERNEEF Killiaen van Rensselaer heeft zelf nooit één voet aan boord van een schip gezet, maar was wel patroon van de Van Rensselaerswijck in Nieuw-Nederland. Om zijn kolonies daar goed te kunnen besturen, zond hij in eerste instantie zijn zonen Jean Baptist en Jeremias op pad. Van Rensselaer wijdde zich vanaf 1631 volledig aan de ontwikkeling van zijn kolonie. Zeven jaar later stuurde hij zijn achterneef Arendt, die een achtergrond als boekhouder, secretaris en schoolmeester had, op pad. Van Rensselaer maakte zich rond 1640 grote zorgen over de Engelsen, die via de Connecticut Rivier Mohicanen inzetten als afgezanten voor de Mohawks. Op deze manier zouden ze via land meer dierenhuiden kunnen exporteren. 

Het artikel gaat verder onder de foto. 


Plaquette in de Grote Kerk in Nijkerk - Henk Potze

Arendt begon als assistent van de uitvoerende directeur, maar werd al snel benoemd tot handelscommissaris. In 1639 liet de WIC het monopolie op de beverbonthandel los en kreeg Arendt de opdracht om actie te ondernemen. Hij had veel contacten met de Indianen en wist ook veel over hun gebruiken en rituelen. Om de handel in bont voort te zetten, nam hij daarom ook contact op met de Mahicans, de Mohicanen die rondom de Van Rensselaerswijck hun land hadden. Ook begon hij een bloeiende relatie met de Mohawks, die op dat moment de bonthandel domineerden. 

Arendt trouwde in 1643 met Antonia Slaaghboom, de weduwe van de rijke koopman Johannes Bronk, waar de New Yorkse wijk The Bronx naar is vernoemd. Hij ging in de buurt van Fort Oranje wonen, maar drie jaar later besloot hij toch om de grote oversteek te maken samen met haar naar Nijkerk, om een jaar later toch weer terug te keren naar Nieuw Nederland. 

SCHENECTADY Van 1659 tot 1661 probeerde Arendt van Curler een gemeenschap neer te zetten bij de Mohawk Rivier. Vanuit Beverwijck was het ook noodzakelijk dat er een nieuwe kolonie kwam, aangezien de populatie in het gebied hard groeide. Arendt vond zes tot acht families bereid om met hem mee te gaan. Na onderhandelingen met Peter Stuyvesant kreeg hij zijn akkoord. Hij werd door Stuyvesant, die gouverneur was van Nieuw-Nederland, heel kort gehouden: het was wel strikt de bedoeling dat het land gebruikt werd voor agricultuur en niet voor handel met de indianen. Het werd de kolonisten ook verboden om drank te verkopen aan de indianen. 

Van Curler schreef diverse brieven naar Stuyvesant dat zijn kolonisten enorm ontmoedigd raakten, omdat ze niet mochten handelen. De nederzetting werd in 1661 gesticht op een goed stuk vlak grond, hoog genoeg om geen last te hebben van het wassende water van de rivier. De naam werd ‘Schau-naugh-ta-da’, wat in de taal van de Iroquees ‘achter de dennebomen’ betekent. Door de Nederlanders werd de naam echter gespeld als ‘Schoenectade’ en later werd de naam veranderd naar Schenectady. 

Arendt onderhield goede contacten met de indianen, die hem op handen droegen. In 1652 verwerkte hij zelfs een kind bij één van hen. Dit was niet zijn enige amoureuze uitspatting: ook Anna Schaets, dochter van een predikant in Beverwijck werd zwanger van hem. In 1663 beviel ze en na de geboorte werd ze door haar kerkgemeente uitgesloten van het avondmaal, omdat ze ongehuwd was. Arendt vestigde zichzelf daarna in Schenectady samen met Jeremias, één van de zonen van Killian. 

Het artikel gaat verder onder de foto.


Familie van Killiaen van Rensselaer ligt begraven in de Grote Kerk in Nijkerk - Henk Potze

STRAFEXPEDITIE Zijn banden met de Mohawk waren zó goed, dat hij hen zelfs tijdig waarschuwde toen er een Franse strafexpeditie werd opgestart. In die tijd rommelde het namelijk behoorlijk tussen de twee indianenstammen, de Mohawk en de Mahican. Hierdoor werd de bonthandel bedreigd en Richard Nicholls, de Engelse gezaghebber, wilde dat hij bemiddelde tussen de indianen, zodat zij zich weer konden concentreren op de beverjacht. De Franse gouverneur in Quebec stuurde diverse strafexpedities naar de indianen toe, maar kreeg geen vat op de Mohawk. Hij vroeg Van Curler om iets aan de situatie te doen. Toen hier geen resultaat op kwam, stuurde hij een strafexpeditie, maar door een waarschuwing van Van Curler had dit weinig effect op de Mohawk. 

In 1667 kwam Van Curler om tijdens een kanotocht over Lake Champlain om de verschillende forten in kaart te brengen.  Er wordt beweerd dat hij zijn hand verspeeld had in de strijd die de Engelsen en de Fransen voerden. In Nijkerk wordt zijn nagedachtenis geëerd met de wijken Corlaer en Groot-Corlaer. Ook het Corlaer College is naar de kolonist vernoemd. De stichting Nijkerk-Schenectady houdt zich nog steeds bezig met de Amerikaanse zusterstad en er vinden regelmatig uitwisselingen plaats van inwoners van de steden. 

Door Maranke Pater