Hoeve Westphalingsgoed dankt haar naam aan Arnt Henrich Westvelinck, die rond het jaar 1400 de boerderij in zijn bezit had. Gek genoeg staat er op de gevel van de boerderij het jaar 1696. Dit is echter het jaar waarin de complete boerderij werd vernieuwd. De beroemdste bewoners van de hoeve waren Brant en Arent van Slichtenhorst. In de tijd dat Brant op de boerderij woonde, heette de hoeve Aert Brantsgoed. De boerderij behoorde al sinds de 15e eeuw aan zijn familie toe. In 1588 werd Brant Aertsz geboren op de boerderij en 25 jaar later trouwde hij met Aeltgen van Wenckum om hierna zijn intrek in de hoeve te nemen. Het huwelijk bracht negen kinderen voort. 


Nijkerkse Courant, augustus 1974

CONFLICT Brant liet zich sinds 1631 regelmatig met de achternaam Van Slichtenhorst aanspreken, en vanaf 1650 gebruikte hij de naam permanent. Hij zou tot 1632 op de boerderij Westphalingsgoed blijven wonen. Brant had in Nijkerk een aardige vinger in de pap als diaken van de hervormde kerk en substituut-ontvanger voor de ambtsjonker Carel Bentinck ten Berencamp. Er kwam echter een conflict met de ambtsjonkers en de kerk en Brant koos de zijde van de kerk. Toen het tot een rechtszaak kwam, woonde hij al in Harderwijk en verpachtte zijn boerderij Westphalingsgoed. In 1635 besloot Brant naar Amersfoort te verhuizen. Dit bleek de perfecte uitvalsbasis te zijn voor de tabakshandel die hij in Nijkerk teelde. 

Het leven van Brant werd gekenmerkt door processen, ook de erven Schrassert voerden een proces tegen hem en betichtten hem van onregelmatigheden in het beheer van hun goederen tijdens hun minderjarigheid. In 1636 werd Brant in Amersfoort aangesteld als luitenant schout, een plaatsvervanger voor de schout. 

NIEUW NEDERLAND Toen Kiliaen van Rensselaer, patroon van de Van Renselaerswyck in Nieuw Nederland, overleed, kon zijn neef en erfgenaam Wouter van Twiller het plan uitvoeren wat hij altijd al in gedachten had: Brant Slichtenhorst uitzenden naar Nieuw Nederland. Brant werd aangesteld als schout en directeur. Deze functie zou hij voor een periode van drie jaar aannemen. Samen met zijn jongste kinderen Gerrit en Grietje vertrok hij in september 1647 naar Manhattan. In Nieuw-Nederland aangekomen kreeg Brant echter al snel een conflict met de directeur-generaal Pieter Stuyvesant, wat in eerste instantie met een sisser afliep. 

Brant kocht ten zuiden van Van Rensselaerswyck een groot stuk grond langs de Katskill en een stuk van het gebied van Klaversack van de indianen. Pieter Stuyvesant zag deze uitbreiding als bedreiging voor de West Indische Compagnie. Brant liet een stel huizen bouwen in de buurt van Fort Oranje, maar deze stonden te dicht in de buurt van het fort, naar de zin van Stuyvesant. Brant ging rustig door met bouwen, maar liet de soldaten van het fort geen steen en hout voor het herstel van het fort uit Van Rensselaerswyck halen. 

HUISARREST Stuyvessant liet zeven soldaten opdraven die de huizen zouden afbreken. Toen de Mohawk-indianen daar lucht van kregen, boden ze Brant grond aan waar hij zoveel op kon bouwen als hij wilde. Brant wilde delen van het nieuwe land verhuren en toen verzette Stuyvesant zich opnieuw. Brant weigerde op zijn beurt om een bijdrage te doen voor de oorlog tegen Engeland. Op 29 april 1651 moest Brant in Nieuw Amsterdam op het matje komen. De Directeur der Raden, het hoogste gerechtshof van de kolonie, gaf Brant huisarrest in Nieuw Amsterdam. 

Maar, bij de eerste de beste gelegenheid ontsnapte Brant naar Van Rensselaerswyck. Zijn kolonie was sterk gegroeid. De nederzetting in de buurt van Fort Oranje werd tot Beverwyck gedoopt, naar de vele beverhuiden die verhandeld werden. Op 14 april 1652 liet Pieter Stuyvessant Brant Slichtenhorst arresteren. In Nieuw Amsterdam werd hij voor zestien maanden in civiel arrest ondergebracht. Zijn directeurschap kwam tot een einde en zijn neef Jan Baptist van Rensselaer nam dit ambt over. 

Na zijn gevangenschap heeft Brant zijn zaken in Van Rensselaerswyck afgehandeld en nam hij de boot terug naar Nijkerk. In het najaar van 1655 vestigde hij zich weer in de stad, waarschijnlijk op Aerts Brantsgoed, dat door zijn dochter Hillegonde en haar echtgenoot Pieter van der Schuer werd bewoond. 

In Nijkerk kreeg hij opnieuw een proces aan zijn broek, deze keer van Johan van Rensselaer, die hem wilde korten op zijn inkomen. De toen 70-jarige Brant was dan al geestelijk niet bij machte om zijn zaak te verdedigen. Dit werd door zijn zoon Arent afgehandeld, tot hij in april 1657 vermoedelijk aan de pest overlijdt. Johan van Rensselaer overleed zelf in mei 1662 en vanaf dat moment is er ook geen archiefmateriaal meer te vinden over een mogelijke schikking. Brant bleef tot 1664 bij zijn dochter wonen en werd toen ondergebracht in een rustig huishouden waar voor hem werd gezorgd tot zijn dood in 1666. 

Tegenwoordig wordt de hoeve Westphalingsgoed bewoond door het gezin Lozeman. Naast de boerderij is een bakhuis gebouwd dat dienst doet als Bed&Breakfast. Op het terrein van Westphalingsgoed wordt een agrarisch kinderdagverblijf gebouwd. Het verhaal over de beroemde zoon van Brant, genaamd Arent van Slichtenhorst, historicus en schrijver van de Gelderse Geschiedenissen, wordt op een ander moment in de serie Bij ons in de Binnenstad verteld. 

Door Maranke Pater

Voor de achtergrondinformatie in dit artikel werd gebruik gemaakt van een verhaal dat in februari 1977 in de Stad Nijkerk heeft gestaan. De bron van dit artikel komt uit een portret dat geschreven is over Brant van Slichtenhorst door H.P. Kemperink, redacteur van het tijdschrift van museum Flehite.

Stad Nijkerk, februari 1977
Foto: Stad Nijkerk, februari 1977
Nijkerkse Courant, augustus 1974
Foto: Nijkerkse Courant, augustus 1974